EU-lonen stegen in 2025, maar inflatie blijft buiten beeld
Het gemiddelde voltijdsequivalente jaarsalaris kwam uit op €41.500, 4,3 procent meer dan in 2024.
Het gemiddelde jaarlijkse voltijdsequivalente salaris in de Europese Unie steeg in 2025 met 4,3 procent tot €41.500. Eurostat vermeldt daarbij dat de cijfers niet voor inflatie zijn gecorrigeerd en voor Nederland een afwijkende methode gebruiken.
Het gemiddelde lag in 2024 op €39.800. Eurostat rekent deeltijdlonen om naar voltijdsequivalenten, zodat landen met verschillende deeltijdpatronen beter vergelijkbaar zijn. Het gaat om een gemiddelde, niet om het loon van de doorsnee werknemer en ook niet om het netto-inkomen na belastingen.
Wat er gebeurde
De hoogste gemiddelde jaarsalarissen stonden in Luxemburg met €85.600, gevolgd door Denemarken met €73.500 en Ierland met €64.400. Aan de onderkant stonden Bulgarije met €16.200, Griekenland met €18.800 en Hongarije met €20.100. De bedragen alleen verklaren niet waardoor de verschillen tussen landen ontstaan.
Bekijk de cijfers
| Gemiddeld salaris | |
|---|---|
| EU | 41.500€ |
| Luxemburg | 85.600€ |
| Denemarken | 73.500€ |
| Ierland | 64.400€ |
De cijfers in perspectief
De stijging van 4,3 procent is nominaal: het bedrag is hoger in euro’s, maar Eurostat heeft het niet gecorrigeerd voor prijsstijgingen. Zonder een geharmoniseerde inflatiecorrectie kan uit dit bericht dus niet worden afgeleid hoeveel de koopkracht gemiddeld toenam. Dat is belangrijk omdat een loonstijging die gelijk is aan de inflatie reëel geen verbetering oplevert.
Eurostat baseert de indicator op een combinatie van nationale rekeningen en de Labour Force Survey. Voor Nederland verwijst de statistiekdienst naar een afzonderlijke gegevensbron omdat daar een andere methode wordt gebruikt. Het EU-gemiddelde is bovendien geen Nederlands gemiddelde. Ook is dit geen cijfer over het inkomen per inwoner: het meet arbeidsbeloning van werknemers, omgerekend naar voltijd.
Waarom dit ertoe doet
Voor werkgevers zijn hogere lonen onderdeel van de kosten van arbeid. Voor werknemers is vooral het reële loon van belang: wat er na prijsstijgingen met het besteedbare inkomen kan worden gekocht. Voor centrale banken zijn loonontwikkelingen relevant omdat hardnekkige loonstijgingen de inflatie kunnen verlengen, maar deze publicatie geeft geen uitsplitsing naar sector, landelijk loonoverleg of productiviteit.
De spreiding is groot. Het Luxemburgse gemiddelde is ruim vijf keer zo hoog als het Bulgaarse gemiddelde, maar dat betekent niet dat een werknemer in Luxemburg vijf keer zoveel koopkracht heeft. Eurostat presenteert nominale bedragen en geen koopkrachtpariteit in deze publicatie. De cijfers zijn dus vooral geschikt om de omvang en richting van arbeidsbeloning te vergelijken, niet om levensstandaarden volledig te rangschikken.
De vraag achter het nieuws
De relevante vraag is niet alleen of lonen stijgen, maar of ze sneller stijgen dan prijzen en productiviteit. Voor die beantwoording zijn nationale loon- en inflatiecijfers nodig. Een geharmoniseerde uitsplitsing naar landen en sectoren zou meer inzicht kunnen geven. Uit deze publicatie volgt dat de nominale arbeidsbeloning in de EU in 2025 duidelijk hoger lag, maar dat de koopkrachtwinst uit deze publicatie niet volgt.
Het cijfer van twee kanten
▲ Lichtpunten
- Het gemiddelde voltijdsequivalente EU-salaris steeg nominaal met 4,3 procent tot €41.500.
- In alle genoemde landen lag het gemiddelde salaris in 2025 boven het niveau van 2024, volgens de Eurostat-indicator.
▼ Zorgpunten
- De cijfers zijn niet voor inflatie gecorrigeerd, waardoor uit deze cijfers alleen geen koopkrachtwinst kan worden vastgesteld.
- Eurostat gebruikt voor Nederland een andere methode, zodat het EU-gemiddelde niet rechtstreeks op Nederland kan worden toegepast.
Kritische noot
Dit is een nominaal gemiddelde van voltijdsequivalente werknemerslonen, geen mediaan, netto-inkomen of inkomen per inwoner. De publicatie zegt niet hoeveel de reële koopkracht steeg.
Wie merkt wat
- Werknemers
- Een hoger bruto jaarsalaris betekent niet automatisch meer koopkracht zolang de inflatiecorrectie ontbreekt.
- Ondernemers
- Hogere lonen verhogen de arbeidskosten, maar de publicatie geeft geen sectorale uitsplitsing.
- Overheid
- De cijfers zijn relevant voor loonbeleid en belastinginkomsten, maar zijn niet hetzelfde als de ontwikkeling van het besteedbare inkomen.
- Beleggers
- Loonontwikkeling kan van belang zijn voor marges en inflatie, maar deze dataset bevat geen productiviteits- of winstgegevens.
Elk punt komt uit de bronnen van het artikel en is meegenomen in de factcheck.
Factcheck Goedgekeurd
Gecontroleerd door een tweede AI-agent, aan de hand van de bronnen. Ook die controle kan fouten maken.
De bedragen, groeivoet en methodologische kanttekeningen zijn rechtstreeks gecontroleerd in de Eurostat-publicatie. Het artikel maakt geen koopkrachtclaim die de bron niet ondersteunt.
- Bevestigd Het gemiddelde EU-jaarsalaris steeg van €39.800 naar €41.500. — Eurostat, publicatie van 6 november 2026.
- Bevestigd De stijging bedroeg 4,3 procent. — Eurostat vermeldt dit expliciet.
- Bevestigd De cijfers zijn niet aangepast voor inflatie. — Methodologische notitie van Eurostat.